OnderwijsKatern 3-2007

De wereld achter: de witte jas

Halverwege de negentiende eeuw kreeg hygiëne in ziekenhuizen plotseling een nieuwe impuls. In die tijd werd anesthesie mogelijk en daardoor konden ingewikkelde en langdurige operaties plaatsvinden. Het infectiegevaar was echter enorm groot; veel patiënten stierven na een operatie als gevolg van pusvorming en bloedvergiftiging.


In 1983 zag de doktersjas in
VUmc er duidelijk anders uit
dan tegenwoordig

Bekend is de Hongaarse arts Ignaz Semmelweis, die al in 1847 zijn studenten verplichtte om hun handen te wassen met een chloorkalkoplossing. Het aantal patiënten met kraamvrouwenkoorts op zijn afdeling daalde daardoor spectaculair. Zijn ideeën werden pas veel later door anderen gevolgd. De Schotse chirurg Joseph Lister is daarbij van groot belang geweest. Vanaf het moment dat hij in 1852 chirurg werd bij het universitair ziekenhuis in Glasgow, zocht hij naar mogelijkheden om het aantal infectiegevallen te beperken.
In die tijd was nog niet bekend wat infecties veroorzaakte, al waren stank, slechte lucht, besmetting en ziekten altijd met elkaar verbonden. Al sinds 1770 probeerde men met hygiëne en ventilatie de problemen terug te dringen. Het is uiteindelijk aan Louis Pasteur te danken dat Lister een volgende stap kon maken. Pasteur toonde in 1861 aan dat microben niet uit zichzelf ontstaan en dat zij verantwoordelijk zijn voor het vergaan van organische stoffen.
Lister begon daarop met het beschermen van oppervlakkige wonden tegen de zogenaamde ‘floating particles’ van Pasteur met carbolzuur. Hij kwam op het idee om dit middel te gebruiken na het succes dat de gemeenteraad van Carlisle hiermee had geboekt bij het verdrijven van de stank uit een riool. Lister bracht het carbolzuur onverdund aan, zodat er een korst ontstond. Dit werd dagelijks herhaald. Door de etsende werking was carbolzuur echter niet geschikt voor gebruik in abcessen en operatieve incisies. Na vele jaren van experimenteren kwam Lister met een waterige oplossing met 5% carbolzuur. In 1867 publiceerde hij de voordelen van het gebruik hiervan. De aanpak van de Schotse hoogleraar wordt antisepsis genoemd. Hieruit ontwikkelde zich in de jaren tachtig van die eeuw de asepsis, waarbij carbol werd vervangen door onder andere jodium. Lister schreef daarnaast bijvoorbeeld voor dat instrumenten tussen de operaties door moesten worden gesteriliseerd.
Om de hygiëne verder te verbeteren begonnen artsen in het ziekenhuis speciale kleding te dragen. Tot die tijd droegen ze dezelfde kleding, die ze op straat aan hadden. Het begon met beige gekleurde laboratoriumjassen, maar al snel werd de witte jas populair. De reden hiervoor is onduidelijk, al was de kleur wit al in het oude Babylonië met gezondheidszorg verbonden en moesten artsen daar al in 1500 v. Chr. witte kleding dragen. Het kan ook te maken hebben met de wasmethode, het bleken, en de opkomende sterilisatie.  Het gebruik van de witte jas werd later uitgebreid met speciale, anders gekleurde kleding voor operatiekamers, om te zorgen dat chirurgen zich omkleden voor ze een OK betreden.
In 1889 werd de volgende stap in de hygiënische ontwikkeling gezet met de introductie van de rubberen handschoen. De Amerikaanse chirurg William Stewart Halsted vroeg Goodyear Rubber Company dunne rubberen handschoenen te ontwerpen. De reden was overigens dat zijn aanstaande vrouw en OK verpleegkundige Caroline Hampton dermatitis kreeg van de chemicaliën, die werden gebruik voor het ontsmetten van de handen. Pas later ontdekte men dat de handschoen ook contactbesmetting bestreed.

 

                 © VU medisch centrum                   communicatie@VUmc.nl   30-08-2007 naar bovenkant pagina  naar het menu bij deze pagina